Elke hond of kat moet in principe minimaal de belangrijkste vaccins of “core”-vaccins toegediend krijgen. Een inenting dient enerzijds om het dier als individu te beschermen tegen levensbedreigende ziekten, en anderzijds om immuniteit binnen de populatie te creëren zodat het risico op ziekte-uitbraken beperkt wordt.
Het vaccinatieprogramma dat binnen onze praktijk gebruikt wordt is gebaseerd op de allernieuwste richtlijnen van het WSAVA (World Small Animal Veterinary Association). Sommige vaccins zijn enkel aangewezen als het dier in kwestie zich in een risicogroep bevindt.
Hieronder vindt u een overzicht van de ziekten waartegen we precies vaccineren.
Hond
In onze basisvaccinatie zit altijd bescherming tegen de 3 volgende ziekten: hondenziekte (distemper), hepatitis contagiosa canis en parvo.
Deze ziekten kunnen allemaal een dodelijk verloop hebben, vooral voor jonge dieren zijn ze zeer gevaarlijk.
Leptospirose (rattenziekte): een bacteriële ziekte met een mild tot ernstig verloop die ook kan overgedragen worden naar mensen. Honden worden besmet door contact met ratten, muizen of besmet water. In België loopt elke hond die mee gaat wandelen in principe risico. Daarom zit deze ziekte bij ons ook steeds inbegrepen bij de basis vaccinatie.
Kennelhoest (parainfluenza en/of bordetella bronchiseptica): deze ziekte is vaak een combinatie van verschillende ziektekiemen. Vooral honden die veel met andere honden in contact komen lopen risico. Bij de meeste hondenscholen en pensions is deze vaccinatie verplicht.
Hondsdolheid (rabiës): een dodelijk virus dat elk zoogdier kan treffen. Vaccineren hiertegen is ten zeerste aan te raden, maar enkel verplicht indien u met uw huisdier naar het buitenland trekt (minstens 21 dagen voor vertrek).
Herpesvirus: hiertegen vaccineren is voornamelijk interessant bij drachtige teven. Deze krijgen het vaccin 2 maal, 1 maal aan het begin van de dracht en 1 maal naar het einde toe. Volwassen honden kunnen drager zijn van dit virus zonder symptomen te vertonen. Het virus kan echter wel via de placenta bij de ongeboren pups terecht komen, met abortus of zwakke pups tot gevolg. Besmetting vlak na de geboorte geeft het ‘Fading Puppy’ syndroom, waarbij ze na enkele dagen alsnog sterven.
De ziekte van Lyme (Borreliose): wordt veroorzaakt door een bacterie en daarna overgedragen via teken. Deze ziekte komt bijna overal in Europa voor. Vaccinatie is echter niet sluitend.
Leishmaniose: een parasiet die wordt overgedragen door zandvliegjes en chronische problemen veroorzaakt. Deze parasiet komt voornamelijk voor in Zuid-Europa. Bescherming via vaccinatie is een optie als u uw dier meeneemt naar het zuiden van Europa. Het vaccinatieschema is echter redelijk atypisch. Daarom wordt vaak de voorkeur gegeven aan een correct afwerend middel tegen zandvliegjes om besmetting te voorkomen.
Kat
Kattenziekte (panleukopenie): een dodelijke virusziekte die ook via de baarmoeder naar ongeboren kittens kan worden overgedragen. Een goede vaccinatie is uiterst belangrijk, zeker bij moederpoezen.
Niesziekte: een groepsbenaming voor diverse virussen en bacteriën die besmettelijke luchtweginfecties veroorzaken bij de kat. Het vaccin beschermt tegen het herpes en calici virus, alsook tegen de bacterie Chlamydia felis. De immuniteit is echter niet volledig aangezien het niet alle potentiële ziekteverwekkers bevat, maar de ernst van ziekte wordt sterk afgezwakt.
Kattenziekte en niesziekte zitten standaard in de basis vaccinatie.
Leucose: een virale ziekte die de immuniteit gaat aantasten, waardoor katten chronisch ziek en verzwakt worden. Bovendien gaat het virus de ontwikkeling van lymfkliertumoren in de hand werken. Katten die buiten gaan en in contact met zwerfkatten kunnen komen, lopen een verhoogd risico.
Hondsdolheid (rabiës): een dodelijk virus dat elk zoogdier kan treffen. Vaccineren hiertegen is zeker aan te raden, maar enkel verplicht indien u met uw huisdier naar het buitenland trekt (minstens 21 dagen voor vertrek).
